Rechtsplegingsvergoeding bij Raad van State niet ongrondwettig

Sinds vorig jaar kan de Raad van State een rechtsplegingsvergoeding toekennen aan de winnende partij. De verliezende partij moet die betalen. Die rechtsplegingsvergoeding is niet ongrondwettig, vindt het Grondwettelijk Hof. Een aantal mensen had de vergoeding aangevochten wegens schending van het gelijkheidsbeginsel, schending van het recht op toegang tot de rechter en schending van artikel 23 van de Grondwet, in combinatie met onder meer het milieuverdrag van Aarhus.

Gelijkheidsbeginsel

Een van de elementen die de verzoekers aanvoeren is dat de rechtsplegingsvergoeding bij de Raad van State verschilt van de rechtsplegingsvergoeding die een gewone rechter kan toekennen. Onder meer wegens haar algemeen karakter.

Het Hof ziet hier echter geen probleem. Het is inderdaad zo dat de gewone rechter - bij sociale zekerheidsgeschillen - geen rechtsplegingsvergoeding kan opleggen aan de sociaal verzekerde. Noch bij vorderingen ingesteld door de sociaal verzekerde, noch bij vorderingen ingesteld tegen de sociaal verzekerde. Het Hof zegt dat die uitzondering is ingevoerd om de kosteloosheid van procedures te verzekeren voor sociaal verzekerden wier sociale rechten worden betwist.
Voor de Raad van State is die automatische uitzondering er niet. Maar de Raad van State kan afwijken van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding en ze verhogen of verlagen - mits hij tussen een minimum- en maximumbedrag blijft. De Raad houdt bij zijn beslissing onder meer rekening met de financiële draagkracht van de verliezende partij. Bovendien kan de Raad - wanneer de verliezende partij juridische tweedelijnsbijstand krijgt - zelfs beslissen om geen of maar een symbolische rechtsplegingsvergoeding toe te kennen aan de winnende partij. Dit wanneer hij vindt dat het onredelijk zou zijn om de vergoeding vast te leggen op het bij KB vastgelegde minimum.

Het Hof besluit hieruit dat de Raad geen algemeen gebonden bevoegdheid heeft, maar dat er integendeel voldoende ruimte is voor flexibiliteit. Het Hof vindt dan ook dat de rechtsplegingsvergoeding het gelijkheidsbeginsel niet schendt.

Toegang tot de rechter

De verzoekers voeren aan dat de rechtsplegingsvergoeding de toegang tot de rechter op onevenredige wijze beperkt. Maar het Hof verwerpt dat argument.

Het Hof zegt dat het recht op toegang tot de rechter niet absoluut is. Financiële beperkingen kunnen, voor zover ze geen afbreuk doen aan de essentie zelf van het recht. Het Hof wijst erop dat de wetgever de verhaalbaarheid van de kosten en de honoraria van de advocaten strikt omlijnd heeft. Door de stijging van het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding te beperken en aan de rechter een beoordelingsbevoegdheid te geven waardoor hij het bedrag kan aanpassen. De gevolgen van de verhaalbaarheid kunnen dus beperkt worden voor de verliezende partij die geen aanzienlijke financiële middelen heeft. Op die manier wordt de toegang tot de rechter gewaarborgd.

Buitensporige kosten

Partijen voeren ook aan dat de rechtsplegingsvergoeding neerkomt op buitensporige kosten. Iets wat niet kan volgens artikel 23 GW, in samenhang gelezen met het Verdrag van Aarhus en de richtlijn 2011/92/EU betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten.

Artikel 23 van de Grondwet impliceert - voor wat het recht op juridische bijstand betreft - een standstill-verplichting. De wetgever mag het beschermingsniveau die de bestaande wetgeving biedt niet aanzienlijk verminderen zonder dat daarvoor redenen zijn die verhand houden met het algemeen belang. Dat artikel verbiedt de wetgever evenwel niet om een rechtsplegingsvergoeding in te stellen.

Het Hof van Justitie vindt dat het Verdrag van Aarhus en de richtlijn 2011/92/EU de rechtzoekende een ruime toegang tot de rechter wil geven. Het vermijden van buitensporige kosten kan hiertoe bijdragen. Nog volgens datzelfde Hof moet de beoordeling of de kosten van een procedure al dan niet buitensporig zijn stoelen op zowel objectieve als subjectieve elementen.

Het Grondwettelijk Hof wijst erop dat de rechtsplegingsvergoeding geen integrale vergoeding is voor de kosten van de in het gelijk gestelde partij, maar enkel een forfaitaire vergoeding. Daarnaast kan de Raad van State ook afwijken van het vastgestelde basisbedrag, binnen de grenzen van de minima en maxima. En zelfs afwijken van het minimale bedrag bij mensen met juridische tweedelijnsbijstand.

Het Grondwettelijk Hof besluit hieruit dat de procedure voor het toekennen van een rechtsplegingsvergoeding volledig voldoet aan de door het Hof van Justitie gestelde voorwaarden. Er is dus geen sprake van buitensporige kosten.

Verwerping vernietigingsberoep

Het Grondwettelijk Hof concludeert uit dit alles dat de rechtsplegingsvergoeding bij de Raad van State niet ongrondwettig is. Het Hof verwerpt het vernietigingsberoep.

Bron: GwH 30 april 2015, nr. 48/2015

Zie ook:
RvS-wet, art. 30/1

Share