Arbeidsongeschiktheidsuitkering werklozen wordt geplafonneerd (art. 158 en 169 PW 2015)

Werklozen hebben tijdens de eerste 6 maanden van hun primaire arbeidsongeschiktheid recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering waarvan het bedrag gelijk is aan hun vroegere werkloosheidsuitkering.

Dat principe blijft behouden. Maar vanaf 1 januari 2015 hanteert men een maximumplafond. Het bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering voor een werkloze wordt beperkt tot het bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering waarop de betrokkene recht zou hebben gehad indien hij vóór het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid niet werkloos maar aan het werk was. Er geldt dus een plafond voor de uitkering van zieke werklozen tijdens de eerste 6 maanden van arbeidsongeschiktheid.

Daartoe wordt de ziekteverzekeringswet aangepast. Het bedrag van de primaire ongeschiktheidsuitkering wordt 'gealigneerd' op het bedrag van de werkloosheidsuitkering waarop de gerechtigden aanspraak zouden maken indien ze zich niet in staat van arbeidsongeschiktheid bevonden, behalve als het bedrag van de werkloosheidsuitkering hoger is dan het bedrag van de primaire ongeschiktheidsuitkering. Het betreffende tijdvak wordt omschreven bij KB.

Tijdens de periode van alignering wordt de vergoeding dus beperkt tot het bedrag van de primaire arbeidsongeschiktheidsuitkering als het bedrag van de werkloosheidsuitkering hoger is de dan dat van de ongeschiktheidsuitkering. Met andere woorden: de uitkeringen worden afgetopt.

Bron: Programmawet van 19 december 2014, BS 29 december 2014 (art. 158 en 169 PW 2015)

Zie ook:
Gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, BS 27 augustus 1994 (Ziekteverzekeringswet)

Share