Nieuwe tijdelijke uitkering voor langstlevende echtgenoten

Een wet van 5 mei 2014 hervormt het overlevingspensioen voor werknemers. Met een 'overgangsuitkering' die beperkt is in de tijd wil de wetgever de huidige 'inactiviteitsval' wegwerken.

Inactiviteit

Op dit moment wordt het overlevingspensioen toegekend aan de langstlevende echtgenoot die minstens 45 jaar is en minstens één jaar met de overleden werknemer gehuwd was op het ogenblik van het overlijden. Er zijn uitzonderingen mogelijk.

Het overlevingspensioen is een goede basisbescherming. Maar in de praktijk is het een inactiviteitsval. Vooral voor vrouwen is dat het geval. De combinatie van het genot van een overlevingspensioen met de cumulatieplafonds voor beroepsinkomsten dwingt hen namelijk om geen beroepsbezigheid meer uit te oefenen, of hun beroepsbezigheid te beperken.

Daardoor zijn vooral vrouwen geneigd om minder of zelfs geen eigen pensioenrechten meer op te bouwen, terwijl het Belgisch pensioenstelsel net gericht is op een grotere individualisering van de rechten. Vandaar dat de wetgever nu ingrijpt. Hij focust daarbij uiteraard op degenen die nog jong genoeg zijn om te gaan werken, en dus zelf nog eigen pensioenrechten kunnen opbouwen.

Overgangsuitkering

De nieuwe wet creëert een ?overgangsuitkering? die beperkt is in de tijd. Na afloop ontstaat onmiddellijk een recht op werkloosheid zonder wachttijd, indien de gerechtigde nog geen beroepsbezigheid uitoefent. Bovendien zal de overgangsuitkering, in tegenstelling tot het overlevingspensioen, onbeperkt gecumuleerd kunnen worden met beroepsinkomsten. Uiteraard wil men op die manier de gerechtigden aansporen om actief te blijven.

Dit betekent dus dat er twee uitkeringen zijn voor de langstlevende echtgenoot: het overlevingspensioen en de overgangsuitkering. De hervorming wordt ook doorgevoerd voor zelfstandigen en ambtenaren, maar dat gebeurt in afzonderlijke wetteksten.

Het leeftijdscriterium geeft de doorslag. De leeftijd die de langstlevende echtgenoot bereikt op het ogenblik van het overlijden van de echtgenoot bepaalt welke van de twee uitkeringen wordt toegekend.
Tijdens een overgangsperiode zal de minimumleeftijd voor de toekenning van het overlevingspensioen geleidelijk opgetrokken worden met 6 maanden. Zo wordt de leeftijd van 45 jaar, die geldt wanneer de echtgenoot ten laatste op 31 december 2015 overlijdt, op 50 jaar gebracht wanneer de echtgenoot ten vroegste op 1 januari 2025 overlijdt.

Kortom, de langstlevende echtgenoot die de vereiste leeftijd voor het overlevingspensioen niet bereikt heeft, zal een overgangsuitkering ontvangen indien de andere voorwaarden daartoe vervult zijn.

Uit de Parlementaire Stukken blijkt dat de overgangsuitkering de mogelijkheid moet creëren om gedurende 1 of 2 jaar de financiële en familiale moeilijkheden naar aanleiding van het overlijden het hoofd te bieden. Ook de onbegrensde cumulatie van de uitkering met inkomsten uit beroepsactiviteiten is daarbij zeer belangrijk.

Let op! Voor personen die een overlevingspensioen ontvangen op 31 december 2014, dus vóór de inwerkingtreding van de hervorming, blijft alles bij het oude. De regeling voor de overgangsuitkering is in die gevallen niet van toepassing.

Regime

De overgangsuitkering wordt toegekend aan de langstlevende echtgenoot die de vereiste leeftijd om aanspraak te kunnen maken op een overlevingspensioen, niet bereikt heeft. Zoals voor het overlevingspensioen is een huwelijk van minimum één jaar vereist, al zijn uitzonderingen wel mogelijk. Er wordt ook rekening gehouden met de duur van de wettelijke samenwoning! De onafgebroken en gezamenlijke duur van het huwelijk én de wettelijke samenwoning moet ten minste één jaar bedragen.

De duur van de overgangsuitkering zal 24 of 12 maanden bedragen, naargelang de overlevende echtgenoot al dan niet een kind ten laste heeft waarvoor een van de echtgenoten kinderbijslag ontvangt. Bij postume geboorte binnen de 300 dagen na het overlijden, is die uitkering ook verschuldigd gedurende 24 maanden.

De cumulregels zijn veel soepeler dan bij het overlevingspensioen. Zoals aangegeven, wordt de betaling van de overgangsuitkering gehandhaafd bij de uitoefening van een beroepsbezigheid, maar ook bij het ontvangen van bepaalde socialezekerheidsuitkeringen zoals een werkloosheidsuitkering of een overlevingspensioen op grond van een activiteit van dezelfde overleden echtgenoot of een rustpensioen wegens gezondheidsredenen of lichamelijke ongeschiktheid in de openbare sector.

De berekening van de overgangsuitkering gebeurt op basis van de loopbaanduur en het verdiende loon van de echtgenoot. Hierbij wordt ten minste het minimumrecht voor een bepaald jaar in aanmerking genomen. De nieuwe regels voor de eenheid van loopbaan - berekend in dagen in plaats van in jaren - worden gevolgd. En ook de laatste maanden van de loopbaan van de overleden echtgenoot worden in aanmerking genomen.
De berekening gebeurt op basis van het totaal van de werkelijke, fictieve en forfaitaire brutolonen van de overleden werknemer, die worden geherwaardeerd. Voor elk bewezen kalenderjaar van tewerkstelling wordt de overgangsuitkering verkregen ten belope van een breuk van die lonen.

Voor zover de aanvraag tot overgangsuitkering werd ingediend binnen de 12 maanden na het overlijden van de echtgenoot, verandert de ingangsdatum al naargelang de overleden werknemer al dan niet een rustpensioen ontving bij zijn overlijden. In de andere gevallen gaat de overgangsuitkering ten vroegste in op de eerste dag van de maand na de aanvraag.

In werking

De nieuwe regels zijn van toepassing op de langstlevende echtgenoten waarvan de echtgenoot ten vroegste overlijdt op 1 januari 2015.

Een en ander moet nog geregeld worden bij KB. Zo wordt de Koning onder andere gemachtigd om de langstlevende echtgenoot die voldoet aan de leeftijdsvoorwaarde om recht te hebben op het overlevingspensioen, toe te laten te kiezen voor de overgangsuitkering. Een KB kan de gevallen bepalen waarbij het recht op de overgangsuitkering ambtshalve wordt onderzocht.

Bron: Wet van 5 mei 2014 tot wijziging van het rustpensioen en het overlevingspensioen en tot invoering van de overgangsuitkering in de pensioenregeling voor werknemers en houdende geleidelijke opheffing van de verschillen in behandeling die berusten op het onderscheid tussen werklieden en bedienden inzake aanvullende pensioenen, BS 9 mei 2014

Share