Eén wettelijk kader voor kinderbijslag werknemers en zelfstandigen

Het regeerakkoord bepaalt dat de bevoegdheid voor de gezinsbijslag moet worden overgedragen naar de gemeenschappen, en voor Brussel naar de gemeenschappelijke gemeenschapscommissie. Maar eerst moeten de verschillen tussen de kinderbijslagregelingen voor werknemers en zelfstandigen worden weggewerkt. Dat is nu gebeurd.

Overdracht

Een wet van 4 april 2014 creëert één wettelijk kader voor werknemers én zelfstandigen. De kinderbijslagwet van 19 december 1939 wordt namelijk omgevormd tot een 'algemene kinderbijslagwet' - afgekort: AKBW. En de bepalingen die op dit moment gelden voor zelfstandigen worden geïntegreerd in die algemene wet.

Daardoor zal de bevoegdheidsoverdracht vlotter kunnen verlopen. Ook het beheer van de gezinsbijslagen tijdens de overgangsperiode wordt op die manier vereenvoudigd. De continuïteit van de uitbetaling van de gezinsbijslagen aan de sociaal verzekerden blijft uiteraard gegarandeerd.

Terminologie

Eerst wordt de terminologie aangepast. Zo wordt de Rijksdienst voor Kinderbijslag voor Werknemers (RKW) omgedoopt tot het Federaal Agentschap voor de Kinderbijslag - afgekort: FAMIFED. Het letterwoord bevat de bouwstenen 'familie' en 'federaal' in de beide landstalen.
Waar nodig verwijst men naar 'de bevoegde minister' als generieke term voor de minister van Sociale Zaken én de minister van Middenstand.

Inhoudelijk vallen werknemers én zelfstandigen voortaan onder de algemene kinderbijslagwet. De omschrijving van het begrip 'zelfstandige' is overgenomen uit de bestaande regelgeving, maar er blijven wel een aantal verschillen tussen de twee regimes. Zoals bijvoorbeeld in de ziekte- en invaliditeitsverzekering het geval is. Door die verschillen kan men rekening houden met de specifieke situatie van zelfstandigen. Denk bijvoorbeeld aan de faillissementsverzekering, de stopzetting van de zelfstandige activiteiten en de vakantieregeling.

FAMIFED

FAMIFED en de kinderbijslagfondsen zullen het beheer van alle kinderbijslagdossiers op zich nemen. Dus ook de dossiers van zelfstandigen die voordien door de sociale verzekeringsfondsen voor zelfstandigen werden beheerd.

De aangepaste samenstelling en werking van het beheerscomité van de RKW ? in de toekomst dus FAMIFED ? komen aan bod in een tweede wet van 4 april 2014. Bij de overdracht worden de deelstaten bevoegd maar ze zullen op zijn minst tot 31 december 2015 (en uiterlijk tot 31 december 2019) een beroep doen op het bestaande betaalcircuit! Vandaar dat de wetgever ervoor kiest om de deelstaten zitting te laten hebben in het beheerscomité van de RKW. Op die manier kan de RKW het volledige betaalcircuit van de kinderbijslag in goede banen leiden, ook de gezinsbijslag voor de overheidssector.

De nieuwe wet bepaalt dat de kinderbijslagfondsen de betaalopdracht van de sociale verzekeringsfondsen voor zelfstandigen overnemen. De RKW doet hetzelfde voor de betaalopdracht van de Nationale Hulpkas voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen. Het is dan ook logisch dat er ook vertegenwoordigers van de middenstand in het beheerscomité zitten.

Het is de bedoeling dat het gemakkelijker wordt om het vereiste aanwezigheidsquorum te bereiken. Het statuut van het beheerscomité van de RKW wordt ook losgekoppeld van het statuut van de beheerscomités van de andere instellingen van openbaar nut voor sociale zekerheid en sociale voorzorg.

Uit de Parlementaire Stukken blijkt dat er al ontwerpen van KB circuleren die de hervorming afronden: een ontwerp dat het beheerscomité uitbreidt tot de deelstaten en een ontwerp dat de vertegenwoordiging van de werkgevers, de werknemers en de gezinsorganisaties regelt.

Het uitgebreide beheerscomité zal, naast de voorzitter, bestaan uit:

vertegenwoordigers van de representatieve werkgeversorganisaties (waarvan er twee deel zullen uitmaken van de representatieve middenstandsorganisaties);

vertegenwoordigers van de werknemersorganisaties;

vertegenwoordigers van organisaties die betrokken zijn bij het beheer van de huidige RKW;

vertegenwoordigers van de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap (of het Waals Gewest), de Duitstalige Gemeenschap en de gemeenschappelijke gemeenschapscommissie.

Er zullen ook plaatsvervangende leden worden aangeduid. Het aantal leden dat de deelstaten zal vertegenwoordigen en de regels voor hun aanwijzing komen aan bod in een koninklijk besluit.

De pariteit tussen de vertegenwoordigers van de werkgevers, de werknemers en de verenigingen die de gezinnen vertegenwoordigen, zal worden gehandhaafd. Het zou gaan om 3 vertegenwoordigers van de Vlaamse Gemeenschap, telkens 2 vertegenwoordigers van de Franse Gemeenschap (of het Waals Gewest) en de gemeenschappelijke gemeenschapscommissie, en 1 vertegenwoordiger van de Duitstalige Gemeenschap.

Let op! Het beheerscomité zal pas geldig kunnen beslissen als van elke van de 4 vertegenwoordigde groepen een meerderheid van de leden aanwezig is. De beslissingen worden genomen bij absolute meerderheid van de leden die aan de stemming deelnemen.
Bovendien kan een beslissing niet worden aangenomen als een meerderheid van effectieve vertegenwoordigers van de deelstaten zich verzet, behalve voor de aangelegenheden die betrekking hebben op het personeelsbeheer en het federaal statuut van dat personeel.

Bedragen

De algemene kinderbijslagwet zorgt ook voor een gelijkschakeling van de bedragen, waardoor alle zelfstandigen en werknemers dezelfde bedragen zullen ontvangen. De voorrang van de rechten van werknemers op die van zelfstandigen is dus niet langer gerechtvaardigd.

Doordat de voorrangsorde gelijk zal zijn voor werknemers en zelfstandigen, zou het kunnen dat er in gemengde gezinnen een verandering van de voorrangsgerechtigde rechthebbende is. In de nieuwe algemene kinderbijslagwet zullen de huidige regels in het werknemersstelsel voor de aanwijzing van de voorrangsgerechtigde bijslagtrekkende worden veralgemeend! Om een onderbreking in de betaling te vermijden, zullen de fondsen in de zelfstandigendossiers in beginsel aan de vader blijven betalen, maar de moeder kan wel vragen om zelf rechtstreeks de gezinsbijslag te ontvangen.

Voor de uitbetaling, stipt men in de Parlementaire Stukken volgende principes aan:

Het basisbedrag van de kinderbijslag voor het eerste kind wordt voor zelfstandigen op het niveau van de werknemersregeling gebracht.

De leeftijdstoeslagen worden voortaan ook toegekend aan het enige kind of het jongste kind van de zelfstandige.

Naar analogie met de regeling voor de langdurig volledig werklozen in het werknemersstelsel, zullen ook zelfstandigen in een faillissement een hoger bedrag in de kinderbijslag krijgen. De nieuwe toeslag moet in die gevallen zorgen voor extra koopkracht.

Uitbetalingsinstellingen

De eengemaakte gezinsbijslagregeling maakt de afzonderlijke uitbetalingsinstellingen voor werknemers en zelfstandigen overbodig. Vandaar dat enkel de kinderbijslagfondsen bevoegd zullen zijn voor de toekenning en de betaling van de gezinsbijslag van zowel de werknemers als de zelfstandigen.

In de praktijk zullen de taken van de sociale verzekeringsfondsen in verband met de betaling van de gezinsbijslag voor zelfstandigen worden overgeheveld naar het kinderbijslagfonds dat behoort tot hetzelfde administratief complex. Is dat er niet, dan kan het fonds die opdracht overdragen aan FAMIFED of een kinderbijslagfonds naar keuze.

Het optreden van het vrij kinderbijslagfonds of FAMIFED is kosteloos voor de zelfstandige. En FAMIFED is zoals aangegeven exclusief bevoegd voor zelfstandigen die zijn aangesloten bij de Nationale Hulpkas voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen.

De overheveling gebeurt uiteraard op grond van een overeenkomst. En het beheerscomité van FAMIFED zal bepalen wat er in die overeenkomst moet staan.
Denk bijvoorbeeld aan de organisatie van het personeel, het sociaal passief, de uitwisseling en de vertrouwelijkheid van gegevens, het beheer van de dossiers uit het verleden ? Uit de Parlementaire Stukken blijkt dat de bevoegde staatssecretaris al aan het beheerscomité van de RKW gevraagd heeft om een standpunt in te nemen ?

Er gelden overgangsbepalingen. Zo blijven de sociale verzekeringsfondsen bevoegd voor de uitbetaling en de terugvordering van de kinderbijslagen voor zelfstandigen die betrekking hebben op de periode vóór 1 juli 2014. De kinderbijslagfondsen moeten die dossier dus niet regulariseren. Bovendien zijn de uitvoeringsbesluiten voor de bepalingen die nu gelden voor werknemers, voortaan ook van toepassing op zelfstandigen.

In werking

De algemene kinderbijslagwet treedt in werking op 30 juni 2014.

Maar de financiële middelen zullen pas vanaf 1 januari 2015 in één enveloppe worden bijeengebracht. Voor de periode tussen 1 juli 2014 en 31 december 2014 zal de financiering van de gezinsbijslagen dan ook worden verdeeld over het 'globaal beheer' voor werknemers en dat voor zelfstandigen. Die verdeelsleutel kan worden aangepast bij KB.

Bovendien zullen de bepalingen met betrekking tot de overeenkomsten tussen de fondsen al in werking treden op 1 mei 2014. Op die manier kan men de overheveling van de opdrachten zo goed mogelijk voorbereiden. En de bepalingen over de financiering van de opdrachtenbegroting en van de beheerskosten voor het kinderbijslagstelsel voor de periode van 1 juli 2014 tot 31 december 2014, zullen uitwerking hebben met ingang van 1 januari 2014.

De tweede wet van 4 april die de samenstelling van het beheerscomité regelt, treedt in werking op een door de Koning bepaalde datum. Maar de wijzigingen in verband met de vertegenwoordiging van de gemeenschappen, het Waalse Gewest en de gemeenschappelijke gemeenschapscommissie worden pas later van kracht. Namelijk 'bij koninklijk besluit', waarbij het akkoord van de deelstaten over hun vertegenwoordiging in dat comité nog steeds is vereist. Het gaat om een KB tot uitvoering van artikel 92ter van de bijzondere wet tot hervorming der instellingen van 8 augustus 1980.

Bron: Wet van 4 april 2014 tot wijziging van de samengeordende wetten van 19 december 1939 betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, BS 5 mei 2014

Bron: Wet van 4 april 2014 tot wijziging van de wet van 25 april 1963 betreffende het beheer van de instellingen van openbaar nut voor sociale zekerheid en sociale voorzorg, BS 5 mei 2014

Share